[et_pb_section fb_built=”1″ fullwidth=”on” module_class=”custom-section-top-menu” _builder_version=”3.22.3″][et_pb_fullwidth_menu _builder_version=”3.19.13″][/et_pb_fullwidth_menu][/et_pb_section][et_pb_section fb_built=”1″ fullwidth=”on” _builder_version=”3.22.3″][et_pb_fullwidth_slider _builder_version=”3.19.15″][et_pb_slide heading=”Bien vs bon” _builder_version=”3.19.15″ background_image=”https://nieuw.coursdefrancais.nl/wp-content/uploads/2019/02/Bien-vs-bon.jpg”][/et_pb_slide][/et_pb_fullwidth_slider][/et_pb_section][et_pb_section fb_built=”1″ fullwidth=”on” _builder_version=”3.22.3″][et_pb_fullwidth_menu menu_id=”3″ submenu_direction=”downwards” fullwidth_menu=”off” dropdown_menu_bg_color=”#ffffff” dropdown_menu_text_color=”#000000″ disabled_on=”on|on|off” _builder_version=”3.19.16″ menu_font=”||||||||” menu_font_size=”24px” background_color=”#56c7dd” background_size=”initial” background_position=”top_left” background_repeat=”repeat” background_layout=”dark” max_width=”100%” custom_padding=”|||” custom_padding_tablet=”|||” custom_padding_phone=”|||” global_module=”725″ saved_tabs=”all”][/et_pb_fullwidth_menu][/et_pb_section][et_pb_section fb_built=”1″ _builder_version=”3.22.3″][et_pb_row _builder_version=”3.22.3″][et_pb_column type=”2_3″ _builder_version=”3.19.13″][et_pb_text _builder_version=”3.19.15″]
Goed eten, een goed mens, een goed boek, goed Frans praten. In het Nederlands hoef je maar 1 woord te kennen, maar in het Frans heb je bien of bon. Wanneer gebruik je nu welk woord?
Bon
- Als het woord ‘goed’ bij een zelfstandig naamwoord hoort (let op, het woord bon/bonne/bons/bonnes verandert mee met het zelfstandig naamwoord):
- J’ai lu un bon livre. (Ik heb een goed boek gelezen.)
- J’ai mangé de bons fruits. (Ik heb goede vruchten gegeten.)
- J’ai passé une bonne soiree. (Ik heb een leuke avond gehad.)
- Met het werkwoord être:
- Als je wilt zeggen dat iets lekker is:
Ce vin est très bon. (Deze wijn is erg goed.)
- Als je wilt vragen of zeggen dat iets oké of prima is:
C’est bon ? (Ben je klaar? Is het oké?.)
En ook: C’est bon maintenant ! (Zo is het genoeg!)
- Als je wilt zeggen dat iets correct is:
Ton devoir est bon. (Je huiswerk is goed.)
Bien
- Als het woord ‘goed’ bij een werkwoord hoort (let op, het woord bien verandert niet mee!):
- Ma voiture roule bien. (Mijn auto rijdt goed.)
- Je danse bien. (Ik dans goed.)
- Elle parle bien français. (Ze spreekt goed Frans.)
- Met het werkwoord être, als je wilt zeggen dat iets aardig, interessant of cool is, of bij een compliment (bravo!):
- Ce livre est bien. (Dit boek is interessant.)
- Ton appartement est bien. (Je flat is cool.)
- C’est bien que tu fasses ça. (Het is goed dat je dat doet.)
- C’est bien ! Tu as tout compris. (Goed zo! Je hebt het begrepen.)
[/et_pb_text][/et_pb_column][et_pb_column type=”1_3″ _builder_version=”3.19.13″][et_pb_sidebar area=”sidebar-1″ _builder_version=”3.22.7″][/et_pb_sidebar][/et_pb_column][/et_pb_row][/et_pb_section]